Spelvormen & Technieken

Regelmatig publiceren we enkele spelvormen of technieken met uitleg en achtergrond informatie. De spelvormen zoals beschreven kunnen uiteraard op diverse manieren gedaan worden.

Spelvorm 1: Briefjes (Ook wel dialoogjes genoemd)

Aantal spelers: 2 (Meer is mogelijk maar kan rommelig worden)

Suggestie: Vraag aan het publiek de relatie en eventueel een probleem of een actueel gespreksonderwerp, een locatie kan ook.

Vorm: Vraag vooraf aan het publiek enkele dialoogzinnen welke ze op een briefje mogen schrijven. Bijvoorbeeld zinnen welke je in een soap zou kunnen horen. Voor de scene begint worden de briefjes ongelezen aan de spelers gegeven of op de grond verspreid. Tijdend de scene pakken de spelers een briefje en lezen deze direct voor alsof het een zin is die in de scene hoort. Beide spelers moeten de inhoud van de briefjes rechtvaardigen. De inhoud bepaalt mede hoe de scene verloopt.

Tips:

  • Als je een briefje gaat lezen kan het helpen door te zeggen: “Weet je wat ik denk/vind….”
  • Begin met 1 speler op het toneel.
  • Houd rust en kom met het volgende briefje als het vorige briefje is geaccepteerd.
  • Help elkaar.
  • Niet nadenken of de briefjes eerst lezen, maar zeg het en zoek later uit waarom je dit zei. 

Techniek 1: Herhaal zinnen!

Om scenes spannender te krijgen is de techniek “Herhalen” een eenvoudige techniek. Als jij of je medespeler een willekeurige zin zegt, herhaal dat simpelweg een paar keer. En hanteer dan wisselende intonaties. Tijdens het herhalen ontstaat er rust in de scene en ontdek je vanzelf waarom je de zin steeds herhaalt!

Voorbeeld:

A zegt: “Ik ga voor je koken”.

B herhaalt: Jij gaat voor mij koken? Jij? Jij gaat voor mij koken? Koken? Jij gaat voor mij koken…….gewoon koken? (Hanteer wisselende intonaties en er onstaat een scene). 

Spelvorm 2: Het Orakel

Aantal spelers 3 of 4.

Suggestie: Willekeurige diepzinnige vragen over het (of iemands) leven.

Vorm: Een spelers vraagt aan het publiek waar ze nog graag antwoord op willen hebben. Bijvoorbeeld: Wat was er eerder: De kip of het ei? Vier spelers beanwoorden woord voor de woord (op volgorde) de vraag. Eén persoon zit op de grond, daar pal achter zit iemand op een stoel, en daarachter staat de derde. En de vierde staat op een stoel. Als er niet gesproken wordt, hangt iedereen naar voren (over elkaar heen). Als er gepraat wordt komt iedereen overeind en zien we vier hoofden boven elkaar en acht armen die langzaam op en neer gaan.

Tips:

  • Orakels zijn vooral poly-interpreteerbaar. Dus antwoorden kunnen soms vaag zijn.
  • Als je de laatste bent kijk welke speler vooraan zit.
  • Spreek luid en duidelijk
  • Houd snelheid
  • Doe het eerste wat in je opkomt
  • Wil de antwoorden NIET sturen.

Techniek 2: Emoties toepassen.

Deze techniek kun je vrijwel in elke scene toepassen. Als je even geen idee hebt hoe een scene verder moet, gooi er dan een emotie in. Zeg niet ik ben boos of verdrietig, maar ben boos of verdrietig. Zoek tijdens de emotie pas later uit waarom je het bent. (Ook al had je geen idee waarom je boos of blij bent). Meestal komt de reden vanzelf.

Er zijn vele emoties de basis emoties zijn de 4 B’s

  • boos
  • blij
  • bang
  • bedroefd

Daarnaast zijn er veel meer emoties zoals afschuw of verbazing.

Spelvorm 3: Diashow

Aantal spelers: 4 (waarvan 1 verteller en 3 in de dia)

Suggestie: Vraag om een bepaalde procedure hoe iets gaat, zoals het maken van rode bakstenen of het brouwen van bier in het klooster. Je kunt ook voor een gebeurtenis kiezen zoals een vakantie, maar deze vorm heeft als nadeel dat de verteller alles kan gaan “sturen” en de vorm is minder verrassend.

Vorm: Een speler vertelt de procedure aan de hand van dia’s. De andere spelers veranderen steeds van houding per dia en blijven stil staan tot de volgende dia. Je werkt samen met de lichtman. De vertellende speler geeft aan wanneer de volgdende dia komt, dit doet hij door bijvoorbeeld te zeggen …een, twee ja… Het wordt dan donker en weer licht. De overige drie spelers staan dan in een andere houding. De verteller improviseert het verhaal aan de hand van de houding van de drie spelers in de dia.

Tips:

  • Verteller kijk rustig naar de dia, laat je inspireren en kijk regelmatig terug.
  • Wees enthousiast als verteller. Ook kan helpen door te zeggen JA, nadat de foto bekend wordt gemaakt.
  • Als de verteller het niet weet dan kun je zeggen: “Oeps verkeerde foto, deze was een oude vakantie foto…” of iets dergelijks.
  • De verteller laat zich leiden door de foto’s niet andersom, dan werkt de spelvorm minder sterk. 
  • Neem een willekeurige houding aan in de dia, vrijwel alles is goed.

Techniek 3: Creëer een omgeving of start met een handeling

Na het horen van de suggestie voor de spelvorm kun je gelijk gaan starten met spelen en in dialoog gaan. Spannender en mooier is als je voorafgaand aan de scene een omgeving creëert aan de hand van de suggestie. Of start eerst met handelen. Als je een omgeving creëert dan kun je dit uitbeelden en / of enkele stoelen pakken. Dit geeft vaak rust in de scene en een mooie start. Pas later kan een eventuele tweede speler instappen en in dialoog gaan.

Bijvoorbeeld:

Je krijgt de suggestie bakker, start dan met mimen van het kneden van het brood of creëer een omgeving door de winkel of bakkerij uit te beelden. Laat het publiek middels mimen zien waar de toonbank staat, waar de broden liggen en eventueel andere verkoopmiddelen. Pas dan start de scene.

Spelvorm 4: De zolder (Ook zeer geschikt als acceptatie oefening)

Hoe: 3 personen. 1 is opa of oma, de 2 andere spelers zijn nieuwsgierige kleinkinderen.

Suggestie: geen

Vorm: Speler A is opa of oma welke zijn/haar kleinkinderen (speler B en C) heeft meegenomen naar zolder. De kinderen kijken hun ogen uit op zolder. Ze pakken steeds iets (onzichtbaar) op, lopen naar opa of oma en vragen steeds: “Opa/oma, wat is dit?” Speler A benoemt gelijk het gene wat de andere speler in zijn heeft. De ideeen zijn geinspireerd op hoe zwaar en groot de kinderen het voorwerp aanbieden door middel van mimen. Vervolgens werkt opa of oma het verhaal achter het voorwerp uit. Het kleinkind accepteert tevens de spelimpulsen en kunnen spelimpulsen aanvullen. Daarna staat het andere kleinkind al weer klaar en vraagt wat het voorwerp in zijn handen is. Opa/oma benoemt dit. Uitdagend wordt het als de vorige voorwerpen en spelimpulsen allemaal nog eens terug komen waardoor het hele verleden van opa of oma voor het publiek grotendeels duidelijk wordt. 

Tips:

  • Luister goed  als kleinkind, probeer verbanden te leggen met andere voorwerpen.
  • Kijk als Opa goed naar hoe het voorwerp wordt gepresenteerd.
  • Als kleinkind heb je echt geen idee wat je in je handen hebt.
  • Stel niet te veel vragen aan Opa maar ga met zijn verhaal mee.

Variant: Je kunt dit ook als “Verhoor” op het politiebureau gebruiken.

Techniek 4: Creëer een type of personage.

Als je in een scene speelt kun je als jezelf spelen of een personage kiezen welke dicht bij je ligt zelf ligt. Leuker is om wisselende personages of typetjes te spelen. Vele spelvormen binnen theatersport stimuleren het spelen van een typetje. Een type neerzetten kan soms simpel werken, verander iets aan je gezicht of lichaam. Bijvoorbeeld doe je tanden en bovenlip naar voren. Ervaar wat het met je doet en vernader je stem en eventueel houding. Doe wat het eerste in je opkomt. Ga van hieruit verder spelen. Of doe je kruis naar voren of achteren en ervaar wat voor type het wordt.

Spelvorm 5: De ruit

Hoe: 3 of 5 personen.

Suggestie: Een titel van een (nog) niet bestaand sprookje.

Vorm: De spelers gaan bij vijf spelers in een ruitvorm staan of bij drie spelers in een driehoek vorm. Zorg dat je op de punten staat met ongeveer twee meter afstand, en dat er 1 speler centraal in het midden voor aan komt. De voorste speler begint met het vertellen van het verhaal. Terwijl hij spreekt beweegt zijn lichaam, de andere spelers luisteren en volgen de bewegingen, deze kopieeren ze. De voorste speler kan naar links of rechs stappen, de hele ruit draait door en een andere speler neemt naadloos de bewegingen en het verhaal over. Hij heeft vervolgens de focus en vertet het verhaal verder. De andere spelers volgen de bewegingen.

Tips:

  • Zorg voor beweging.
  • Je mag naar links of rechts door draaien, verras elkaar!
  • Ga doordraaien halverwege een zin. “En toen zag hij…(en draai door)”
  • Zoom in op het verhaal
  • Maak je bewegingen sierlijk groot doch simpel en doe het rustig zodat iedereen achter je het kan volgen.

Techniek 5: Geef vorm aan je vragen rondom suggesties.

Denk bij een game goed na wat je nou precies van het publiek wil horen als suggestie. Wil je een start zin, een locatie, een titel of een relatie. Je suggestie heeft wel degelijk invloed op de game.

Ga ook niet roepen: “We willen een locatie”. Opvallend is dat het publiek vrijwel altijd Zwembad of Sauna roept. Hoe kan dat toch? Spelers hebben de neiging om te spelen in het water. En dat water is er niet, waardoor het vaak een lastige scene wordt. Natuurlijk kun je ook in een badhokje of aan de kant van een zwembad spelen. 

Spannender voor het publiek is om je vragen een beetje in te kleden. Als je een locatie wilt kun je vragen om een locatie die begint met een bepaalde letter. Nog mooier is om te vragen naar een locatie waar je graag wilt zijn, maar nog nooit bent geweest. Welke je deze maand gaat bezoeken. Of een locatie waar meer vragen zijn dan antwoorden. Er zit altijd iemand in het publiek die iedereen verrast met een inspirerende suggestie.

Tip: 

  • Bedank mensen die roepen…..want ze roepen immers en denken mee!
  • Als je een suggestie niet wil zoals de sexshop zeg dan dat je die scene pas hebt gespeeld. Of dat je hoofdpijn hebt van alle die seksavonturen of in je maandelijkse cycles zit….maak er een grap van.

Spelvorm 6: De prediker/ The preacher

Hoe: 4 personen.

Suggestie: een vrolijk onderwerp of een actueel onderwerp + drie woorden als:

  • 1e woord: een voorwerp
  • 2e woord: een werkwoord
  • 3e woord: een beroep (Evt kan ook een bijvoeglijk naamwoord)

Vorm: Twee spelers A en B (de predikers) gaan naar buiten, zonder dat ze de suggesties al hebben gehoord. De andere spelers C en D vragen aan het publiek de suggesties. A en B mogen dit niet horen. Als dit klaar is komen spelers A & B  binnen en gaan beide op een stoel staan (welke achter op het podium staan). Speler A kijkt naar het publiek, speler B heeft zijn rug naar het publiek. A begint te preken (als een prediker) over het vrolijke onderwerp. Speler C beeldt het tegelijk het 1e woord uit. A houdt zijn preek aan en roept in zijn preek de eerste associaties welke hij krijgt speler C. Een van de predikers kan “switch” roepen, dan draait speler A zich om (rug naar publiek) en speler B ook (gezicht naar publiek). Speler B neemt het verhaal van prediker 1 naadloos over terwijl speler D nu gaat uitbeelden. Als er het woord wordt geroepen roept de zaal: “Hallelujah” het volgende woord kan worden uitgebeeld.

Tips:

  • Maak de suggesties om uit te beelden niet te abstract maar ook niet te makkelijk. Werkwoorden als klappen of slapen is te makkelijk. Werkwoorden als beëindigen of beknibbelen te moeilijk. De kans op roepen moet enigszins aanwezig kunnen zijn. 
  • Voel je een prediker / dominee, maak er een type van.
  • Speler C kan speler D ook ondersteunen in uitbeelden
  • Stimuleer het publiek om “Oehhhhhh….” te roepen als een prediker het bijna goed heeft. 
  • Houd het tempo hoog in het switchen van de predikers.
  • Ga als prediker niet staan raden, dan stopt de scene. Houd je monoloog aan, en doe het vooral lekker fout. Het publiek geniet des te meer.
  • Deze scene is een fungame en ik adviseer niet langer dan 1 minuut per woord te hanteren. Wordt het niet in die tijd geraden, ga door na het volgende woord. Raden is geen pre….fun wel!
  • Meestal zie ik dat de scene gelijk stopt als het derde woord is geroepen. Maak de scene af door nog een laatste wijze zin te zeggen Prediker!!